Naar goede traditie: een boekenlijst

Het werd weer eens tijd om deze site onder het stof vandaan te trekken (binnenkort meer!) en gelukkig is het precies het moment voor mijn jaarlijkse boekenlijst. Vorig jaar was het aantal gelezen boeken nogal teleurstellend, dus ik heb me dit jaar een schop onder mijn kont gegeven en ben ik vaker gaan lezen. Het doel van 45 boeken (dit kalenderjaar) dat ik mezelf op Goodreads heb gesteld helpt daar ook best wel bij. Enfin, tijd om de boel op een rijtje te zetten.

  • De levens van Jan Six – Geert Mak +
  • Ondijk / Punt – Barry Smit + (Ondijk) +/- (Punt)
  • 51 mythes over wat goed zou zijn voor de economie – Mirjam de Rijk+
  • Herinneringen in aluminiumfolie – Jamal Ouariachi +
  • De ondergrondse spoorweg – Colson Whitehead +/-
  • Daar komen de vliegen – David Pefko +
  • The curious incident of the dog in the night-time – Mark Haddon (E) ++
  • Je hebt het niet van mij, maar… – Joris Luyendijk +
  • Mark Rutte is lesbisch – Raoul Heertje +
  • Problemski hotel – Dimitri Verhulst +
  • Dolle mythes – Linda Duits +/-
  • Utopia – Thomas More ++
  • De Stamhouder – Alexander Münninghoff +
  • Schloβ Gripsholm – Kurt Tucholsky (D) +/-
  • Het Rosie Project – Graeme Simsion +/-
  • De eeuwige jachtvelden – Nanne Tepper +
  • Het tegenovergestelde van een mens – Lieke Marsman +
  • Kleine landjes – Jelle Brandt Corstius +
  • Wij zeggen hier niet halfbroer – Henk van Straten +
  • Sproetenliefde – Maren Stoffels –
  • HhhH – Laurens Binet –
  • Hitlers kanarie – Sandi Toksvig ++
  • Herinnering aan mijn droeve hoeren – Gabriel García Marquez +
  • Muidhond – Inge Schilperoord +
  • Echte mannen eten geen kaas – Maria Mosterd –(—)
  • De zaak 40/61 – Harry Mulisch +
  • Beatrijs – anoniem +
  • De Kick – Helen Vreeswijk –
  • Malva – Hagar Peeters +
  • Gaten – Louis Sachar –
  • En we noemen hem – Marjolijn van Heemstra +/-
  • Voetballen of vechten – Herman van Campenhout +/-
  • Het lijden van de jonge Werther – Johann Wolfgang von Goethe –
  • Stella A-Z – Johan van Zonnenberg —
  • Wees onzichtbaar – Murat Isik +
  • De consequenties – Niña Weijers +
  • Januskop – Johan Zonnenberg –(—)
  • Notes on nationalism – George Orwell (E) +
  • De avond is ongemak – Marieke Lucas Rijneveld +
  • Concept M – Aafke Romeijn +/-
  • Berichten uit het tussenhuisje – Henk van Straten +/-
  • Orewoet – Emy Koopman +/-
  • Underdog – Elfie Tromp +
  • Odysseus, een man van verhalen – Imme Dros +/-
  • Ooggetuigen van de Middeleeuwen – diverse auteurs +
  • Borealis – Marloes Morshuis +
  • Orgelman, Felix Nussbaum. Een schildersleven – Marc Schaevers –
  • Met mij gaat alles goed – Jan Simoen +
  • Onder de Paramariboom – Johan Fretz +
  • Autumn – Ali Smith (E) +/-
  • Als het zaterdag wordt – Nicci French –

Goeie comeback, met deze 51 boeken! Daar zitten natuurlijk wel een paar smokkelboeken tussen (zoals Notes on Nationalism, dat eigenlijk een essay is, of Beatrijs, dat je echt in een half uurtje gelezen hebt), maar toch ben ik wel tevreden.
Het is opvallend dat de twee boeken met de hoogste waardering (++) beide jeugdboeken zijn. Ik heb ook een hoop prut langs zien komen dit jaar, maar over het algemeen kan ik jullie van harte aanbevelen af en toe eens een jeugdboek ter hand te nemen, die zijn soms in al hun eenvoud nogal mind blowing.

Het streven voor komend jaar? Meer dan 52 boeken, meer boeken in het Engels en Duits, meer klassiekers. Over een jaar mogen jullie meekijken of dat gelukt is.

Collectieve rouw – ik leg het nog één keer uit…

Ooit schreef ik al over mijn moeite met collectieve rouw. Na de gebeurtenissen van de afgelopen weken rond Anne Faber, speelt het ongemakkelijke gevoel dat ik daarin beschreef weer in alle hevigheid op.
Op Facebook waagde ik het een prikkelende boodschap te plaatsen en dat leidde tot een hoop discussie en commotie. Mijn post kwam erop neer dat ik het zo wonderbaarlijk vond dat iedereen ineens deed alsof ze Anne persoonlijk hadden gekend. Dat viel niet bij iedereen in goede aarde.

Ik wil hier graag nog één keer uitleggen waarom ik moeite heb met deze collectieve en haast virale uitingen van medeleven. Ik heb daar drie punten bij, maar eerst wil ik wat toelichten, anders denken jullie straks nog dat ik een ongevoelige hond ben en dat is geenszins het geval.

Kortom, laat ik voorop stellen dat er niks mis is met het uiten van je emoties en gevoelens. Het is begrijpelijk dat je je op enige wijze geraakt voelt door wat er gebeurd is: het maakt je angstig omdat je zelf ook vaak alleen fietst; het maakt je boos omdat je vindt dat het rechtssysteem en de GGZ gefaald hebben of het maakt je verdrietig omdat het je doet denken aan iemand uit je eigen omgeving die overleden is. Kan allemaal, mag allemaal (sowieso is het niet aan mij om hier wie dan ook in te veroordelen), moet je vooral doen. Maar denk eerst even na over je motieven en beweegredenen en bepaal daarna of het wel zo’n goed idee is om foto’s, gedichtjes en kaarsjes te plaatsen alsof jou persoonlijk iemand ontvallen is.

Ten eerste kun je je afvragen, zoals ik hierboven eigenlijk ook al stel, of je niet je eigen emoties, die heel ergens anders vandaan komen, aan het projecteren bent op deze zaak. Natuurlijk vind je het erg wat er, in dit geval met Anne, gebeurd is. Mocht je het niet erg vinden en kun je je niet verplaatsen in het gemis van de familie, dan scoor je tamelijk hoog op psychopathie, me dunkt. Het is echter niet zo dat je verdriet voelt om het gemis van Anne. Dat kan helemaal niet, want je kende haar niet, dus kun je haar ook niet missen.
Ik noemde eerder al enkele voorbeelden van emoties die je bij deze zaak zou kunnen voelen. Je kunt extra angstig worden, omdat je je realiseert dat het jou (of iemand dicht bij jou) ook zou kunnen overkomen. Dat gevoel wordt natuurlijk versterkt doordat het ‘zo’n gewone, jonge meid’ was, die nog een selfie stuurde naar haar vriend en door bossen fietste waar jij zelf misschien ook wel eens fietst. Mijn licht cynische ik zou daar tegenin willen brengen dat het enigszins naïef is om je alleen bij gebeurtenissen dichtbij te realiseren dat het op de wereld wemelt van de gestoorde klootzakken, maar goed, als het jullie helpt om daar niet dagelijks bij stil te staan, dan lijkt me dat een verdedigbare keuze.
Mocht angst je eerste emotie zijn, schrijf dan iets over dat je bang bent, prima, maar doe niet alsof je Anne gekend hebt en verdriet om háár hebt.
Je kunt boos worden op de mensen en het systeem die het mogelijk maakten dat deze klootzak zich gewoon vrij mocht bewegen. Daar is het laatste woord vast nog niet over gesproken, dus een aanklacht richting justitie en politiek zou op zijn plaats zijn.
Mocht woede je eerste emotie zijn, schrijf dan iets over dat je kwaad bent, prima, maar doe niet alsof je Anne gekend hebt en verdriet om háár hebt.
Je kunt verdrietig zijn omdat je je het gemis van de familie voor kunt stellen, bijvoorbeeld omdat er iemand uit jouw naaste omgeving ook is overleden. Realiseer je dan alleen wel dat het verdriet dat je voelt betrekking heeft op jouw eigen gemis van die persoon en bedenk eventueel waardoor het komt dat dit verdriet zo makkelijk opgerakeld wordt (of niet, ik ben geen psycholoog).
Mocht verdriet je eerste emotie zijn, schrijf dan iets over waar je om rouwt, prima, maar doe niet alsof je Anne gekend hebt en verdriet om háár hebt.

Goed, tot zover de oprechte, maar misplaatste emoties. Ten tweede wil ik het hebben over de toe-eigening van het verdriet van de familie. Dat ligt in het verlengde van mijn punten hierboven.
Verdriet is particulier en persoonlijk. Ieders verdriet is anders en iedereen beleeft dat anders. Maar dat het verdriet van de familie van Anne vele malen groter is dan dat van wie dan ook daarbuiten, lijkt me evident. Het heeft iets raars om te doen alsof jouw verdriet (of andere emotie, dat heb ik dus net uitgelegd) net zo aanwezig en heftig is als dat van haar naasten. Door jouw eigen verdriet te verbinden aan deze kwestie, maak je, in mijn ogen althans, het verdriet van de familie minder belangrijk.
Enkelen van jullie zullen nu zeggen dat de familie wellicht steun ervaart en moed put uit alle berichten van troost. Dat zou kunnen, ik kan niet in hun hoofden kijken. Wat ik echter wel weet, is dat ik, toen mijn moeder overleed, werkelijk niks kon met het verdriet van anderen. Hun gemis is niet hetzelfde, hun rouw is minder heftig en een groot deel van de emoties die erbij komen kijken zijn, bot gezegd, tweedehands. Ze waren er al, om allerlei zeer relevante andere zaken, maar ze horen niet bij dit ene specifieke geval. Daarbij kwam ook nog eens dat ik zelf sterk het gevoel had dat mensen die zeiden mij te willen troosten vooral troost bij mij kwamen halen, maar dat mag ik hier niet veralgemeniseren.

Ten slotte, en misschien is dat wel het punt waardoor veel mensen zich onbewust aangevallen voelden door mijn post, heeft het hele proces van het plaatsen (of kopiëren) van obligate boodschappen van rouw (denk daarbij ook aan de aangepaste profielfoto’s met vlaggen na een aanslag) voor mij steeds opnieuw een viezige bijsmaak van ‘kijk mij eens deugen, kijk mij het eens ook heel erg vinden.’ Dat komt denk ik vooral doordat we op een gegeven moment steeds dezelfde plaatjes en gedichtjes langs zien komen, waardoor ik het moeilijk te geloven vind dat je uiting geeft aan je eigen gevoel. Ik stelde in het begin al dat we er met z’n allen vanuit mogen gaan dat we dit heel erg vinden. Vind je het niet erg, dan is er op z’n minst iets mis met je inlevingsvermogen. Maar omdat dat voor zich spreekt, vervalt de noodzaak van het melden in mijn ogen een beetje. Het wordt pas interessant als mensen gaan melden dat het hen niks doet (of als ze zeggen dat het ook haar eigen schuld was, had ze maar niet in haar eentje moeten gaan fietsen; of als ze anderen eenzelfde dood toewensen – geloof me, dit gebeurt). En met ‘interessant’ bedoel ik dat we als de sodemieter politie en psychiaters op deze mensen af moeten sturen.

Goed, ik heb dus moeite met collectieve uitingen van rouw en ik denk dat ik daar gegronde redenen voor heb. Ik heb nooit willen zeggen dat mensen hier niks bij zouden moeten voelen en ik heb zeker geen mensen willen veroordelen die hier anders in staan dan ik. Maar ik acht het van belang dat we met z’n allen iets harder nadenken over onze beweegredenen, omdat we dan veel meer tot de kern van de zaak komen en we ons niet mee laten slepen in de leegheid van de obligate reacties. De reacties die overblijven, zijn daarmee meteen van een veel grotere waarde.

 

Muziek die ik niet meer luister

Misschien was het jullie niet opgevallen, maar mijn vierde tekst die ik schreef voor het illustere trio Narcis & Hedon is nooit op deze site verschenen. Tot nu.

De opdracht die ik mijn medeschrijvers en mezelf gaf, was ‘iets met muziek’ en ik had een plan om iets te schrijven op basis van enkele citaten uit Worst Case Scenario van dEUS. Ik schreef echter ineens een heel ander stuk; nogal persoonlijk en het ging maar zijdelings over muziek. Blijkbaar moest dat er eerst uit. Ik vond het eigenlijk te persoonlijk om te plaatsen. En misschien ook wel niet goed genoeg, dus het bleef op m’n laptop staan. Maar omdat vandaag een datum is die niet echt uit m’n hoofd wil (ik ben niet goed met jubileumdata, maar vergeet 08-09-’10 maar eens…), is dit misschien toch wel een goed moment ervoor.

Muziek die ik niet meer luister

Mensen gaan dood en in een deel van mijn familie zijn ze er goed in om dat vroegtijdig te doen. Zo heb ik al diverse begrafenissen meegemaakt, de een wat treuriger dan de ander.

Waar ze ook goed in zijn, in mijn familie, is zo’n uitvaartdienst omlijsten met sprekende muziek. Dat is mooi voor het moment zelf, maar voor mij heel lastig, want er is inmiddels best veel muziek die ik niet (meer) luister. Want ik ben dan weer heel goed in verdringen.

Het eerste nummer dat ik lang niet heb kunnen horen, is het ietwat cheesy ‘Kumbaya’ (waarvan ook echt geen enkele acceptabele versie op YouTube is te vinden), dat gedraaid werd op mijn opa’s begrafenis. Ik was dertien, de oudste van alle kleinkinderen, en wilde vooral stoerder zijn dan de rest, dus ik zou onder geen beding huilen. Als gevolg daarvan, denk ik, kan ik me bijzonder weinig herinneren van die hele dienst. Ik droeg een gedicht voor, m’n broertje was een soort illegale misdienaar (want niet gedoopt) en dat was het zo’n beetje. De eerstvolgende Kerst gingen we met m’n oma mee naar de kerk. M’n broertje was enigszins overstuur dat bij binnenkomst een lied gedraaid werd dat ook op de begrafenis gespeeld was. Ik herinnerde me die hele kerk van een half jaar ervoor nauwelijks. Wat ik me wel heel lang herinnerd heb, was m’n opa die daadwerkelijk aan het sterven was toen ik hem voor het laatst zag. Dat beeld heb ik pas na lange tijd weggestopt gekregen.

Inmiddels kan ik ‘Kumbaya’ weer gewoon aanhoren, vooral omdat het eigenlijk louter in ironische context voorkomt en ik prima om kan gaan met ironie. En cynisme.

Een paar jaar later overleed mijn oom. Het was een lang en intensief stervensproces dat diepe sporen trok door de hele familie. Ik heb me, mee daardoor, enigszins afzijdig gehouden van het hele begrafenisritueel. Ook van deze uitvaart herinner ik me weinig, maar één nummer maakte toen wel veel indruk, namelijk ‘Something inside so strong’ van Labi Siffre. Alleen merkte ik dat pas heel veel jaren later, toen het aan het einde van een nogal intensieve communicatiecursus gedraaid werd om even een momentje tot rust te komen. Ik vond het echter allesbehalve rustgevend dat ik ineens keihard moest janken. Om het daarna uiteraard lachend af te doen als een zwak momentje. Haha, ja, want zo doe ik dat.

Niet heel lang daarna was het de beurt aan mijn oma. Van haar dood en begrafenis weet ik al helemaal niet veel meer, want ik was aan het afstuderen en daar zat nogal wat tijdsdruk op en tussen haar sterven en begraven in, werd ik ook nog eens geopereerd aan mijn blindedarm. Ik was er niet helemaal bij, kun je stellen. Van muziek herinner ik me niks, maar eigenlijk herinner ik me dus sowieso bijzonder weinig en inmiddels begin ik me af te vragen of dat een goed teken is.

Nog weer een paar jaar later was mijn moeder nummer vier van dit gezin die dood ging. De muziek die we op haar begrafenis hebben gedraaid, heb ik daarna nooit meer teruggeluisterd. Bewust, want nog tijdens haar laatste weken besloot ik, net als bij m’n opa destijds, dat ik niet zou huilen. Of in ieder geval zo min mogelijk. Er was één moment, van tevoren, dat de emotie wel toesloeg. Dat was toen mijn moeder vertelde welk liedje ze namens mijn vader graag wilde laten spelen op haar begrafenis. Het ging om ‘Later’ van Herman van Veen, een nummer waar ik vroeger als kind altijd al melancholisch van werd, omdat ik altijd dacht dat het over m’n ouders ging. Dat was dus ook zo. En daar hadden we het nooit over gehad, dus het kwam nogal hard binnen dat precies dat nummer gedraaid moest worden. Maar goed, het waren zeven intensieve weken van ‘O, je gaat dood’ naar ‘O, je bent dood’, dus één keertje huilen mocht ik mezelf wel toestaan. Als zelfs m’n vader z’n ogen niet helemaal droog hield…

We draaiden ook ‘Sigh no more’ van Mumford & Sons. De cd zelf heb ik grijsgedraaid, maar het eerste nummer sla ik al zeven jaar consequent over.

Er kwam nog meer muziek langs, maar die is zo obscuur dat ik me er de afgelopen jaren niet druk over hoefde te maken dat ik die ergens zou horen. Alleen het slotnummer, door mij uitgekozen, moest ik nog wel actief zien te vermijden. Ik koos ‘In dulci jubilo’ van Mike Oldfield uit om toch enigszins opgewekt de zaal te kunnen verlaten en de kist naar buiten te brengen. Daarnaast is het een nummer waarbij ik vroeger met mijn ouders altijd hele verhalen en dansjes bedacht en waar ik dus mooie herinneringen aan heb. Het bleek een goede keuze, want iedereen had de neiging om te gaan huppelen (precies mijn idee), maar ondertussen moest ik er wel voor zorgen dat ik het niet per ongeluk tegenkwam, in de Top 2000 bijvoorbeeld.

En zo werd ik heel goed in niet terugdenken, niet voelen en vooral doorgaan met emoties vermijden. Ik nam me voor een cynicus te worden, die met gepaste distantie het leven waar zou nemen en becommentariëren. Dat lukte wonderbaarlijk wel, want de rol van toeschouwer neem ik sowieso vrij natuurlijk op me.

Ik werd er alleen niet heel gelukkig van. Maar het duurde even voordat ik dat doorhad.

Maarten ’t Hart en zijn moeite met de metafoor

Op dit moment lees ik ‘De ondergrondse spoorweg’ van Colson Whitehead en toevalligerwijs stuitte ik vandaag op een filmpje waarin Maarten ’t Hart dit boek becommentarieert. Ik heb nogal wat commentaar op zijn mening, dus wil ik jullie eerst laten horen wat hij erover zegt:

Zijn eerste kritiekpunt is niet helemaal ongegrond. Ik vond het verhaal de eerste pagina’s erg rommelig en een van de oorzaken daarvan is inderdaad dat de personages niet heel helder uitgewerkt zijn en een eigen stem ontberen. Bijpersonages worden soms ineens heel uitgebreid opgevoerd om daarna heel snel weer te verdwijnen en nooit meer terug te keren en wat hoofdpersoon Cora nu precies beweegt, blijft ook lang onduidelijk. Het kan zijn dat het ritme en de cadans van het origineel niet helemaal overkomen in vertaling, het kan zijn dat de schrijver deze techniek niet zo goed beheerst en het kan ook nog zijn dat het een onderbouwde keuze is. Je kunt immers stellen dat de slaven destijds door hun eigenaren niet als individu gezien werden en dat de persoonlijke stem er niet per se toe doet. Je zou ook nog kunnen betogen dat het verhaal van de ene slaaf in principe ook dat van de andere is, omdat het uiteindelijk om het verderfelijke systeem gaat. Als deze laatste punten de drijfveren waren van de auteur om het verhaal te schrijven zoals hij deed, dan kan ik daar inkomen. Dat het wellicht niet helemaal lezersvriendelijk uitpakt, is een mening die ik met ’t Hart deel.

Na dit punt raakt ‘t Hart het echter een beetje kwijt. Hij vindt dat het boek wel erg veel geweld bevat en dat kan toch niet waar zijn! Immers, zo stelt hij, slaven waren bezit en met bezit ga je voorzichtig om. Ik ben geen historicus, maar het lijkt me toch wel dat de gruwelijkheden op de diverse plantages afdoende zijn aangetoond om te kunnen stellen dat de schrijver hier weinig tot geen overdrijving toepast. Zweepslagen, ‘de bok’, verkrachting: het zijn elementen die haast vanzelf in mij naar boven komen als ik aan slavernij denk. Het is raar om te stellen dat Whitehead dit overdrijft.
Daarnaast hoeven we het nieuws van de afgelopen week er maar bij te halen om aan te tonen dat het argument dat mensen voorzichtig omspringen met bezit lang niet altijd opgaat: hoeveel varkens waren er ook alweer verbrand in Erichem? En ja, ik denk dat de stelling dat de plantage-eigenaren hun slaven zagen zoals de veeboeren naar hun varkens kijken niet al te gewaagd is. You win some, you lose some, en alles voor de megawinst. Een Afrikaanse slaaf stond destijds echt niet veel hoger in de rangorde dan de veestapel.

Ten slotte valt ’t Hart over het feit dat de door Whitehead letterlijk in het leven geroepen ondergrondse spoorweg natuurlijk nooit heeft kunnen bestaan. Nee, Maarten, dat klopt, dat noemen we ook wel ‘fictie’, ‘fantasie’ en de ‘vrijheid van de auteur’. ’t Hart erkent dat het een metafoor is, maar noemt hem niet geslaagd. Aangezien het illegale ontsnappingscircuit wel degelijk zo genoemd werd, is het in mijn ogen juist een enorm geslaagde metafoor.
Misschien is dit nog wel het meest onzinnige kritiekpunt dat ’t Hart heeft: want sinds wanneer moet alles in de literatuur waargebeurd kunnen zijn? Het is begrijpelijk dat ’t Hart sinds hij van z’n geloof viel wat moeite heeft met parabels en metaforen, maar anderzijds zou hij ze ook als geen ander moeten herkennen. Of zou hij denken dat in Colombia echt alle mannen dezelfde naam hebben, zoals García Márquez ons wil doen geloven in zijn ‘Honderd jaar eenzaamheid’? Of dat Joe Speedboot echt door een muur knalde met z’n vrachtwagen? Of wacht, het zal toch niet waar zijn dat Odysseus niet daadwerkelijk met allerlei zeemonsters en een cycloop vocht? Alsof een op een mens gelijkende zeekoe op sterk water zo lekker geloofwaardig is, Maarten!
’t Hart ontkent met dit argument in principe het bestaan en de functie van de (wereld)literatuur en dat is een beetje vreemd, want dat is toch een traditie waarin hij zelf ook wenst te staan.

Kortom, Maarten ’t Hart diskwalificeert zichzelf in dit filmpje volledig als literatuurcriticus en over slavernij kan hij maar beter helemaal niks meer zeggen.

Wat? Alweer een boekenlijst?

Het is inmiddels een traditie: mijn lijst van gelezen boeken aan het einde van het schooljaar. Ieder jaar vrees ik dat het er substantieel minder zullen zijn dan het vorige jaar, ieder jaar blijkt dat mee te vallen. Dit jaar vrees ik echter écht het ergste. Maar goed, we zullen zien. Mijn Twitter-account @JufLeest is weer de bron van informatie, het trouw bijhouden daarvan is me in ieder geval gelukt:

  • De Hydrograaf – Allard Schröder + (herlezing – per ongeluk)
  • Onze oom – Arnon Grunberg +/-
  • Magnus – Arjen Lubach ++ (herlezing)
  • Ivanov – Hanna Bervoets ++
  • Madicken – Astrid Lindgren (S) ++
  • Maan en zon – Stefan Brijs +
  • Stad van goud – Tjeerd Posthuma +
  • Nooit meer slapen – W.F. Hermans ++
  • Dorst – Esther Gerritsen +
  • De man die alles achterliet – Tanya Commandeur +/-
  • Alleen met de goden – Alex Boogers +
  • Dubbelspel – Frank Marinus Arion + (herlezing)
  • Ostfriesengrab – Klaus-Peter Wolf (D) +/-
  • De dagen van de bluegrassliefde – Edward v.d. Vendel + (herlezing)
  • Monte Carlo – Peter Terrin +
  • Zuiverheid – Jonathan Franzen +/-
  • Lefbek – Anke Laterveer +
  • Mensen zonder uitstraling – Jente Posthuma +/-
  • Lieve – Ronald Giphart +
  • Avenue of mysteries – John Irving (E) — (niet uitgelezen)
  • Wie heeft er wél een boek bij zich? – Johan Goossens +
  • De Onervarenen – Joke van Leeuwen +
  • Gedichten van @debroervanroos – Tim Hofman +
  • Alles wat er was – Hanna Bervoets +
  • De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten – Pascal Vanenburg +
  • Billie & Seb – Ivo Victoria +/-
  • De komst van Joachim Stiller – Hubert Lampo +/-
  • Harry Potter en het vervloekte kind – J.K. Rowling –
  • De Metsiers – Hugo Claus +
  • Thomas Dekker – Mijn gevecht – Thijs Zonneveld +
  • De Bekeerlinge – Stefan Hertman +
  • Kinderen van het Ruige Land – Auke Hulst +/-

Goed, ik las dus maar 32 boeken dit jaar en dat is wel ernstig weinig (of nou ja, ik heb nog twee weken, dus ik kan de score nog een beetje opschroeven), daar moet ik wat aan gaan doen. Daarnaast herlas ik verhoudingsgewijs vrij veel én ik las een boek niet uit (Avenue of mysteries ligt wel nog steeds op m’n nachtkastje, dus wie weet komt het er nog van). Het was geen topjaar qua boeken, kunnen we constateren. Ik ga m’n best doen er geen trend van te maken die langzaam doorzet. Beloofd.

 

Het uit de hand gelopen gedachte-experiment van Van der Meer

Nog niet zo heel lang geleden werd ik op Twitter uitgemaakt voor ‘hyperfeminist’. Ik weet nog steeds niet zo goed of ik dit als geuzennaam moet zien of als een belediging, maar neem het in ieder geval mee in uw overwegingen als u onderstaande leest.

Ik heb me nogal opgewonden over twee artikelen die dit weekend in twee van onze kwaliteitskranten verschenen. Het eerste was een interview in Trouw met Peter Lloyd, waarin hij beweert dat ‘echte gelijkheid de grootste nachtmerrie is van feministen’. Hij schreef een ‘even ludieke als serieuze overlevingsgids voor de moderne man’ en mag op basis daarvan een paar rare dingen zeggen over de achterstelling van mannen in de huidige maatschappij. Lees het anders zelf maar even, u zult lachen.

Maar toen las ik in De Volkskrant het stuk ter introductie van het nieuwe boek van Myrthe van der Meer, over het ‘aanschaffen en houden van een man’, waarin de man vergeleken wordt met een, ik durf het nauwelijks neer te typen, huisdier. Leest u dit vooral ook even, maar beperkt u tot de inleiding, dan weet u genoeg. Ik las de rest van het artikel voor u en ik wil u graag de blaartrekkende humorloosheid verder besparen.

Van der Meer laat met één artikel zien dat Lloyd eigenlijk best een punt heeft en doet daarmee, wat mij betreft, jaren van ‘strijd’ teniet en diskwalificeert zich voor iedere eventuele serieuze opinie ten aanzien van het feminisme. Ik wind me bovenmatig op als vrouwen neergezet worden als domme gansjes, maar ik heb ook nauwelijks maaginhoud genoeg om me door een stuk heen te braken dat de man neerzet als sullige hond. En wat is precies het verschil? Waarom zou het een wel gerechtvaardigd zijn en het andere niet?

Natuurlijk kun je stellen dat mannen vooralsnog in een wat gunstiger machtspositie zitten en dat het altijd beter is om naar boven dan naar beneden te trappen, maar laten we wel wezen: dat is wel een heel slappe verantwoording.

Het stuk van Van der Meer is aanmatigend voor zowel de weldenkende man als vrouw en het was wijs geweest als ze het bij een gedachte-experimentje had gehouden. Gewoon gezellig kletsend met haar vriendinnen, bij een wijntje op een terrasje. Want zo doen vrouwen dat. Toch?

Hoi Jezus,

De derde bijeenkomst van het nu al illustere trio Narcis & Hedon: schrijf een stuk bij een kunstwerk. Ik koos een werk van Rubens en ging een gesprek aan. Goede Vrijdag leek me een prima publicatiemoment.

Hoi Jezus,

Nu we hier toch zijn, kunnen we het er meteen wel even over hebben, denk ik. Jij gaat voorlopig toch nergens heen, met je spijkers van Van Leeuwen. Sorry, dat was een slecht grapje. Ik meende het niet kwaad, in principe vind ik je een goede gozer. Ik bedoel, volgens mij ben je best een geschikte vent: altijd het beste met de mensen voor, wars van geweld, een stunning hipsterbaard en een behoorlijk gevoel voor opkomst, met je ezel.

Ik denk best vaak over je na. Over hoe je het allemaal bedoeld hebt. En of dingen niet een beetje uit de hand zijn gelopen. Ken je dat nummer van die musical over je leven? Daarin zingt Judas zo’n beetje hetzelfde. Ik ben wel een beetje team Judas in dezen. Anderzijds snap ik ook heus wel dat je invloed lang zo ver niet gereikt zou hebben als je gewoon tot aan je pensioen door was gegaan. Dan was je verstoft en vergeten en was je niet afgebeeld geweest in een lendendoek, maar in een incontinentieluier. Zo je überhaupt zou zijn afgebeeld natuurlijk. Ik denk eigenlijk dat je in de vergetelheid zou zijn geraakt. De vraag is hoe de wereld er dan zou hebben uitgezien.

Want laten we eerlijk zijn, de ellende is vaak niet te overzien hoor. En dat is van alle eeuwen. Ik weet ook wel dat je het zo niet bedoeld hebt, maar we zitten toch maar mooi met de gebakken peren. Ik bedoel: kruistochten, heksenverbrandingen, de Tachtigjarige Oorlog, pro-life engerds in Amerika, zondagsluiting op de Veluwe… Ik zal niet beweren dat het allemaal rechtstreeks jouw schuld is, zeker niet, maar die volgelingen van je maken er toch maar mooi een potje van zo nu en dan.

Maar eerlijk is eerlijk, de mensen die zich vooral richten op jouw goede kanten, de dingen die je in de Bergrede zegt en zo, die kan ik over het algemeen goed hebben. Mensen die het idee van naastenliefde wel begrepen hebben, die snappen dat je kunt volgen zonder te veroordelen, dat de keuze voor het een geen uitsluiting van de ander hoeft te betekenen. Misschien is het aanmatigend, maar ik denk vrij zeker te weten dat je het ooit zo bedoelde.

Dat je echt speciaal daarvoor op de wereld bent gezet, dat wil er bij mij overigens niet in. Dat blijf ik een raar verhaal vinden. Toen ik een jaar of drie was en m’n moeder me sprookjes vertelde, zei ik ook zo’n beetje om de zin ‘Maar mama, dat kan toch helemaal niet?’, waardoor de lol er voor m’n moeder al gauw af was. En een meisje en haar oma levend uit een wolf snijden is net zo ongeloofwaardig als Lazarus uit de dood opwekken, niet waar? Dus dat hele verhaal van Maria en die engel, dat geloof ik gewoon niet. Heb je het daar eigenlijk wel eens met Jozef over gehad, over hoe hij zich daarbij voelde? Of lag dat in jullie eigen tijd anders? Werd hij gewoon wel als jouw vader geaccepteerd en is dat verhaal van je goddelijke afstamming pas later ontstaan? En als dat het geval is: wie heeft dat dan bedacht? Hoe dan ook, ik heb het altijd een beetje lullig gevonden voor Jozef.

Trouwens, dat kruis was PR-technisch wel een gouden zet, daar mag je de Romeinen wel dankbaar voor zijn. Stel je voor dat ze de brandstapel als gangbare doodstraf hadden gehanteerd, dan hadden al die schilderijen een stuk minder aantrekkelijk uitgezien. Zo’n zwartgeblakerd lijk doet het toch minder goed vóór in de kerk. En qua esthetiek is een kruisje om je nek ook beter dan een stapel brandende takken. Ik zei het net trouwens al, die vroege dood heeft je populariteit natuurlijk ook wel een boost gegeven. Ik snap dat je dat op het moment zelf niet bedacht hebt, maar je mag Judas en Pilatus ergens wel dankbaar zijn. Tenzij je helemaal niet op een carrière als superster zat te wachten natuurlijk.

Wat vind je er eigenlijk van, dat 2000 jaar na dato mensen nog steeds fan van je zijn? Had je dat voorzien? Was dat het idee? Het lijkt mij knap vermoeiend, die verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt. Al die mensen die allerlei dingen uit jouw naam doen en beleven; misschien had je een stevige disclaimer af moeten geven, destijds aan het kruis.

Ik zei het net al, ik denk dat je best wel plannen had, maar misschien niet zo groot als dat ze uiteindelijk geworden zijn. Misschien wilde je wel alleen maar wat meer bewegingsvrijheid voor je eigen mensen, of vond je het tijd voor een geestelijk reveil, dat kan ook. Maar een wereldreligie?

Dat kan ook met mijn eigen beperkte denken te maken hebben hoor. Ik vind het zelf vaak al prima als ik om me heen niet te veel schade aanricht en de mensen in mijn buurt niet te veel tot last ben, dus mijn eigen ambitieniveau ligt gewoon wat lager. Ik vind het me gewoon wat moeilijk voor te stellen dat je meteen de halve wereld meeneemt in je verbetertraject.

Enfin, ik vond het leuk om even met je te praten. Ik weet niet of we er beiden veel wijzer van zijn geworden, maar dat hoeft ook niet per se. Dat komt misschien nog wel. Bij mij dan. Jou beschouw ik al wel als tamelijk wijs. Dat mag je best weten.

Paarden en pony’s

Er was een tweede opdracht voor ons schrijverscollectief: een dialoog tussen ouder en kind. Ik zette iets in elkaar en herschreef het einde naar aanleiding van het commentaar van mijn schrijfmannen. Het resultaat lees je hieronder:

Paarden en pony’s 

“Maar hoe zit het dan met paarden en pony’s?”
Het leek me ineens van het grootste belang deze kwestie op te helderen.
“Hoe bedoel je?”
“Nou gewoon, wat het verschil is.”
“Volgens mij heeft het met schofthoogte te maken. Vanaf een bepaalde grootte is het gewoon een paard.”
“Dus als een veulen van twee pony’s een beetje ver door groeit, is het ineens een paard?”
“Nee, dat denk ik dan weer niet.”
“Dus je kunt van een pony geen paard worden?”
“Nee.”
“O, oké.”
We wandelden zwijgend verder, tussen de weilanden met de paarden door, richting het bos. Er was iets onherroepelijk veranderd. Mijn vader wist ook niet alles.

Het hotel

Weten jullie nog? Ik zou gaan schrijven. We spraken een eerste thema af (‘vakantie’) en een richtlijn voor het aantal woorden (700).
Inmiddels is de eerste bijeenkomst geweest, hebben J. en W. mijn werk becommentarieerd en heb ik mijn tekst nog wat herschreven. Ik vind hem klaar voor publicatie, hoewel ik natuurlijk nog honderdduizend verbeterpunten kan bedenken. Ik wil echter geen lafbek zijn, dus hier komt ‘ie:

Het hotel

Het zou niet al te ver rijden zijn van Helsingør naar de laatste tussenstop in Noord-Duitsland. Maar direct na de Deens-Duitse grens belandden we in de moeder aller files en stonden we tergend lang stil. Mensen lieten hun honden en kinderen uit langs de snelweg, oma’s werden geholpen bij het plassen in de berm. Zo’n file was het.

Moe en chagrijnig kwamen we uiteindelijk tegen de avond aan bij een hotel in een dorpje waarvan de naam het onthouden niet waard was. Het had een mooi meertje, dat wel.

Eenmaal binnen dook er van achter de balie een stevige vrouw op, zo’n vrouw die in Beieren prima tien literpullen op haar boezem door een Oktoberfesthalle kan sjouwen, zeg maar. Maar er was nog iets, iets wat ik niet meteen thuis kon brengen, iets waar ik een tweede keer voor moest kijken, maar dan wel op zo’n manier dat het niet meteen opvalt. En toen ik dat deed, was het onmiskenbaar en onontkoombaar: deze vrouw had een baard. Geen volle hipsterbaard, maar toch zeker meer dan een paar kinhaartjes. Het was afstotelijk en fascinerend tegelijk. Ik stamelde me door de aanmelding heen, ondertussen steeds proberend niet te kijken, maar wel te verifiëren of ik het goed gezien had. Dat had ik.

Ze nam er nogal de tijd voor en moest ook nog eens uitleggen waarom ik eerst m’n ziel in viervoud aan de duivel moest verkopen voordat ik gebruik kon maken van de Wi-Fi.
“Und das ist nur für einem gerät, wenn sie sonst mehr möchten dan moet u vijf euro bijbetalen en nog zevenendertig formulieren invullen. Tja, soms zijn er families die met hun kinderen komen en die jongelui moeten dan allemaal zo nodig met hun telefoon en op het internet kunnen, maar dat is natuurlijk belachelijk duur und völlig Wahnsinn.”
Ik knikte en glimlachte en dacht aan de twee telefoons en de iPad die we bij ons hadden.
“Ja, nee, die Jugendlichen heutzutage ook hè.”
Ik had me erbij neergelegd dat het een hotel was uit een slecht geschreven boek. En toevallig was ik dat verhaal in gereden.

’s Avonds bleken de bedden slecht, had ik het bloedheet en viel ik maar niet in slaap. De momenten waarop dat wel kort lukte, droomde ik zeer verontrustend dat ik zelf een baard had. Het was denk ik net na middernacht toen ik wakker werd van een vreemde muziek die van over het meer leek te komen. Het klonk mooi, maar ook wel wat onheilspellend. Het had een hoog Mike Oldfield-gehalte, maar zonder de Bassie en Adriaan-vibe. En omdat ik toch niet echt lekker lag, besloot ik naar buiten te gaan.

Het hotel werd slechts door een weggetje van het meer gescheiden. Dus toen ik de voordeur uitliep, zag ik meteen de feestlichtjes tussen de bomen die het meer omringden. Ik liep een stukje langs het meer en zag iets verderop de vrouw met de baard dansen met het overige hotelpersoneel. De meisjes uit de bediening, de kok uit het restaurant, ik herkende ze allemaal van een paar uur geleden. Tussen het personeel zweefden ook boselfjes, die ik dus voor lichtjes had aangezien. Ook waren er kobolden die, aangevoerd door een gnoom, de bosgrond aan het omploegen waren. Het zag er sinister uit, de kobolden groeven met een verbetenheid die weinig goeds kon betekenen. Waar ze naar groeven (of wat ze begroeven?) werd me niet duidelijk, maar dat ik hier niet op m’n plaats was, had ik al vrij snel door. Ik leek de controle over m’n brein kwijt te zijn en dat terwijl ik net twee weken vakantie had gehad. Ik moest hier weg.

De volgende ochtend werd ik alweer vroeg wakker, we gingen naar huis. Net iets te moe van m’n slechte nacht op het doorgezakte bed in de te warme kamer met m’n verwarrende droom, strompelde ik naar de douche en lapte ik mezelf ver genoeg op om naar huis te rijden.

Bij de balie bleek de vrouw verdwenen. Haar plaats was ingenomen door een kabouterachtig klein, gebocheld mannetje, met kromme vingers en rouwrandjes onder z’n nagels. Alsof ‘ie die in de aarde had lopen wroeten. Het was de droomgnoom. Ik was nog nooit zo blij dat er een einde aan de vakantie kwam.

Schrijven

Als je mij vraagt wat ik goed kan, dan moet ik eerst heel lang nadenken. Vervolgens antwoord ik ‘niks’, daarna verbeter ik dat in ‘mwah, ik kan eigenlijk alles een beetje’ om ten slotte te mompelen ‘schrijven’. Maar op dat laatste punt kom ik alleen op een echt goede dag of als ik dronken ben. Onder andere omstandigheden durf ik dat eigenlijk niet toe te geven.

En dat is onzin, want ik kan wel schrijven. En ik doe het ook graag, maar ik doe het nooit. Of in ieder geval veel te weinig.

Dit hier is echter het begin van iets nieuws. Misschien wel het begin van mijn schrijfcarrière, maar laten we niet op de zaken vooruitlopen. Eerst ga ik maandelijks iets schrijven en uitwisselen met mijn collega’s J. en W. En om ervoor te zorgen dat het niet bij een idee blijft (daar ben ik trouwens ook heel goed in, in ideeën bedenken en niet uitvoeren), leg ik het hier vast. Nu moet ik en dat vind ik fijn.