Muziek die ik niet meer luister

Misschien was het jullie niet opgevallen, maar mijn vierde tekst die ik schreef voor het illustere trio Narcis & Hedon is nooit op deze site verschenen. Tot nu.

De opdracht die ik mijn medeschrijvers en mezelf gaf, was ‘iets met muziek’ en ik had een plan om iets te schrijven op basis van enkele citaten uit Worst Case Scenario van dEUS. Ik schreef echter ineens een heel ander stuk; nogal persoonlijk en het ging maar zijdelings over muziek. Blijkbaar moest dat er eerst uit. Ik vond het eigenlijk te persoonlijk om te plaatsen. En misschien ook wel niet goed genoeg, dus het bleef op m’n laptop staan. Maar omdat vandaag een datum is die niet echt uit m’n hoofd wil (ik ben niet goed met jubileumdata, maar vergeet 08-09-’10 maar eens…), is dit misschien toch wel een goed moment ervoor.

Muziek die ik niet meer luister

Mensen gaan dood en in een deel van mijn familie zijn ze er goed in om dat vroegtijdig te doen. Zo heb ik al diverse begrafenissen meegemaakt, de een wat treuriger dan de ander.

Waar ze ook goed in zijn, in mijn familie, is zo’n uitvaartdienst omlijsten met sprekende muziek. Dat is mooi voor het moment zelf, maar voor mij heel lastig, want er is inmiddels best veel muziek die ik niet (meer) luister. Want ik ben dan weer heel goed in verdringen.

Het eerste nummer dat ik lang niet heb kunnen horen, is het ietwat cheesy ‘Kumbaya’ (waarvan ook echt geen enkele acceptabele versie op YouTube is te vinden), dat gedraaid werd op mijn opa’s begrafenis. Ik was dertien, de oudste van alle kleinkinderen, en wilde vooral stoerder zijn dan de rest, dus ik zou onder geen beding huilen. Als gevolg daarvan, denk ik, kan ik me bijzonder weinig herinneren van die hele dienst. Ik droeg een gedicht voor, m’n broertje was een soort illegale misdienaar (want niet gedoopt) en dat was het zo’n beetje. De eerstvolgende Kerst gingen we met m’n oma mee naar de kerk. M’n broertje was enigszins overstuur dat bij binnenkomst een lied gedraaid werd dat ook op de begrafenis gespeeld was. Ik herinnerde me die hele kerk van een half jaar ervoor nauwelijks. Wat ik me wel heel lang herinnerd heb, was m’n opa die daadwerkelijk aan het sterven was toen ik hem voor het laatst zag. Dat beeld heb ik pas na lange tijd weggestopt gekregen.

Inmiddels kan ik ‘Kumbaya’ weer gewoon aanhoren, vooral omdat het eigenlijk louter in ironische context voorkomt en ik prima om kan gaan met ironie. En cynisme.

Een paar jaar later overleed mijn oom. Het was een lang en intensief stervensproces dat diepe sporen trok door de hele familie. Ik heb me, mee daardoor, enigszins afzijdig gehouden van het hele begrafenisritueel. Ook van deze uitvaart herinner ik me weinig, maar één nummer maakte toen wel veel indruk, namelijk ‘Something inside so strong’ van Labi Siffre. Alleen merkte ik dat pas heel veel jaren later, toen het aan het einde van een nogal intensieve communicatiecursus gedraaid werd om even een momentje tot rust te komen. Ik vond het echter allesbehalve rustgevend dat ik ineens keihard moest janken. Om het daarna uiteraard lachend af te doen als een zwak momentje. Haha, ja, want zo doe ik dat.

Niet heel lang daarna was het de beurt aan mijn oma. Van haar dood en begrafenis weet ik al helemaal niet veel meer, want ik was aan het afstuderen en daar zat nogal wat tijdsdruk op en tussen haar sterven en begraven in, werd ik ook nog eens geopereerd aan mijn blindedarm. Ik was er niet helemaal bij, kun je stellen. Van muziek herinner ik me niks, maar eigenlijk herinner ik me dus sowieso bijzonder weinig en inmiddels begin ik me af te vragen of dat een goed teken is.

Nog weer een paar jaar later was mijn moeder nummer vier van dit gezin die dood ging. De muziek die we op haar begrafenis hebben gedraaid, heb ik daarna nooit meer teruggeluisterd. Bewust, want nog tijdens haar laatste weken besloot ik, net als bij m’n opa destijds, dat ik niet zou huilen. Of in ieder geval zo min mogelijk. Er was één moment, van tevoren, dat de emotie wel toesloeg. Dat was toen mijn moeder vertelde welk liedje ze namens mijn vader graag wilde laten spelen op haar begrafenis. Het ging om ‘Later’ van Herman van Veen, een nummer waar ik vroeger als kind altijd al melancholisch van werd, omdat ik altijd dacht dat het over m’n ouders ging. Dat was dus ook zo. En daar hadden we het nooit over gehad, dus het kwam nogal hard binnen dat precies dat nummer gedraaid moest worden. Maar goed, het waren zeven intensieve weken van ‘O, je gaat dood’ naar ‘O, je bent dood’, dus één keertje huilen mocht ik mezelf wel toestaan. Als zelfs m’n vader z’n ogen niet helemaal droog hield…

We draaiden ook ‘Sigh no more’ van Mumford & Sons. De cd zelf heb ik grijsgedraaid, maar het eerste nummer sla ik al zeven jaar consequent over.

Er kwam nog meer muziek langs, maar die is zo obscuur dat ik me er de afgelopen jaren niet druk over hoefde te maken dat ik die ergens zou horen. Alleen het slotnummer, door mij uitgekozen, moest ik nog wel actief zien te vermijden. Ik koos ‘In dulci jubilo’ van Mike Oldfield uit om toch enigszins opgewekt de zaal te kunnen verlaten en de kist naar buiten te brengen. Daarnaast is het een nummer waarbij ik vroeger met mijn ouders altijd hele verhalen en dansjes bedacht en waar ik dus mooie herinneringen aan heb. Het bleek een goede keuze, want iedereen had de neiging om te gaan huppelen (precies mijn idee), maar ondertussen moest ik er wel voor zorgen dat ik het niet per ongeluk tegenkwam, in de Top 2000 bijvoorbeeld.

En zo werd ik heel goed in niet terugdenken, niet voelen en vooral doorgaan met emoties vermijden. Ik nam me voor een cynicus te worden, die met gepaste distantie het leven waar zou nemen en becommentariëren. Dat lukte wonderbaarlijk wel, want de rol van toeschouwer neem ik sowieso vrij natuurlijk op me.

Ik werd er alleen niet heel gelukkig van. Maar het duurde even voordat ik dat doorhad.

Hoi Jezus,

De derde bijeenkomst van het nu al illustere trio Narcis & Hedon: schrijf een stuk bij een kunstwerk. Ik koos een werk van Rubens en ging een gesprek aan. Goede Vrijdag leek me een prima publicatiemoment.

Hoi Jezus,

Nu we hier toch zijn, kunnen we het er meteen wel even over hebben, denk ik. Jij gaat voorlopig toch nergens heen, met je spijkers van Van Leeuwen. Sorry, dat was een slecht grapje. Ik meende het niet kwaad, in principe vind ik je een goede gozer. Ik bedoel, volgens mij ben je best een geschikte vent: altijd het beste met de mensen voor, wars van geweld, een stunning hipsterbaard en een behoorlijk gevoel voor opkomst, met je ezel.

Ik denk best vaak over je na. Over hoe je het allemaal bedoeld hebt. En of dingen niet een beetje uit de hand zijn gelopen. Ken je dat nummer van die musical over je leven? Daarin zingt Judas zo’n beetje hetzelfde. Ik ben wel een beetje team Judas in dezen. Anderzijds snap ik ook heus wel dat je invloed lang zo ver niet gereikt zou hebben als je gewoon tot aan je pensioen door was gegaan. Dan was je verstoft en vergeten en was je niet afgebeeld geweest in een lendendoek, maar in een incontinentieluier. Zo je überhaupt zou zijn afgebeeld natuurlijk. Ik denk eigenlijk dat je in de vergetelheid zou zijn geraakt. De vraag is hoe de wereld er dan zou hebben uitgezien.

Want laten we eerlijk zijn, de ellende is vaak niet te overzien hoor. En dat is van alle eeuwen. Ik weet ook wel dat je het zo niet bedoeld hebt, maar we zitten toch maar mooi met de gebakken peren. Ik bedoel: kruistochten, heksenverbrandingen, de Tachtigjarige Oorlog, pro-life engerds in Amerika, zondagsluiting op de Veluwe… Ik zal niet beweren dat het allemaal rechtstreeks jouw schuld is, zeker niet, maar die volgelingen van je maken er toch maar mooi een potje van zo nu en dan.

Maar eerlijk is eerlijk, de mensen die zich vooral richten op jouw goede kanten, de dingen die je in de Bergrede zegt en zo, die kan ik over het algemeen goed hebben. Mensen die het idee van naastenliefde wel begrepen hebben, die snappen dat je kunt volgen zonder te veroordelen, dat de keuze voor het een geen uitsluiting van de ander hoeft te betekenen. Misschien is het aanmatigend, maar ik denk vrij zeker te weten dat je het ooit zo bedoelde.

Dat je echt speciaal daarvoor op de wereld bent gezet, dat wil er bij mij overigens niet in. Dat blijf ik een raar verhaal vinden. Toen ik een jaar of drie was en m’n moeder me sprookjes vertelde, zei ik ook zo’n beetje om de zin ‘Maar mama, dat kan toch helemaal niet?’, waardoor de lol er voor m’n moeder al gauw af was. En een meisje en haar oma levend uit een wolf snijden is net zo ongeloofwaardig als Lazarus uit de dood opwekken, niet waar? Dus dat hele verhaal van Maria en die engel, dat geloof ik gewoon niet. Heb je het daar eigenlijk wel eens met Jozef over gehad, over hoe hij zich daarbij voelde? Of lag dat in jullie eigen tijd anders? Werd hij gewoon wel als jouw vader geaccepteerd en is dat verhaal van je goddelijke afstamming pas later ontstaan? En als dat het geval is: wie heeft dat dan bedacht? Hoe dan ook, ik heb het altijd een beetje lullig gevonden voor Jozef.

Trouwens, dat kruis was PR-technisch wel een gouden zet, daar mag je de Romeinen wel dankbaar voor zijn. Stel je voor dat ze de brandstapel als gangbare doodstraf hadden gehanteerd, dan hadden al die schilderijen een stuk minder aantrekkelijk uitgezien. Zo’n zwartgeblakerd lijk doet het toch minder goed vóór in de kerk. En qua esthetiek is een kruisje om je nek ook beter dan een stapel brandende takken. Ik zei het net trouwens al, die vroege dood heeft je populariteit natuurlijk ook wel een boost gegeven. Ik snap dat je dat op het moment zelf niet bedacht hebt, maar je mag Judas en Pilatus ergens wel dankbaar zijn. Tenzij je helemaal niet op een carrière als superster zat te wachten natuurlijk.

Wat vind je er eigenlijk van, dat 2000 jaar na dato mensen nog steeds fan van je zijn? Had je dat voorzien? Was dat het idee? Het lijkt mij knap vermoeiend, die verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt. Al die mensen die allerlei dingen uit jouw naam doen en beleven; misschien had je een stevige disclaimer af moeten geven, destijds aan het kruis.

Ik zei het net al, ik denk dat je best wel plannen had, maar misschien niet zo groot als dat ze uiteindelijk geworden zijn. Misschien wilde je wel alleen maar wat meer bewegingsvrijheid voor je eigen mensen, of vond je het tijd voor een geestelijk reveil, dat kan ook. Maar een wereldreligie?

Dat kan ook met mijn eigen beperkte denken te maken hebben hoor. Ik vind het zelf vaak al prima als ik om me heen niet te veel schade aanricht en de mensen in mijn buurt niet te veel tot last ben, dus mijn eigen ambitieniveau ligt gewoon wat lager. Ik vind het me gewoon wat moeilijk voor te stellen dat je meteen de halve wereld meeneemt in je verbetertraject.

Enfin, ik vond het leuk om even met je te praten. Ik weet niet of we er beiden veel wijzer van zijn geworden, maar dat hoeft ook niet per se. Dat komt misschien nog wel. Bij mij dan. Jou beschouw ik al wel als tamelijk wijs. Dat mag je best weten.

Paarden en pony’s

Er was een tweede opdracht voor ons schrijverscollectief: een dialoog tussen ouder en kind. Ik zette iets in elkaar en herschreef het einde naar aanleiding van het commentaar van mijn schrijfmannen. Het resultaat lees je hieronder:

Paarden en pony’s 

“Maar hoe zit het dan met paarden en pony’s?”
Het leek me ineens van het grootste belang deze kwestie op te helderen.
“Hoe bedoel je?”
“Nou gewoon, wat het verschil is.”
“Volgens mij heeft het met schofthoogte te maken. Vanaf een bepaalde grootte is het gewoon een paard.”
“Dus als een veulen van twee pony’s een beetje ver door groeit, is het ineens een paard?”
“Nee, dat denk ik dan weer niet.”
“Dus je kunt van een pony geen paard worden?”
“Nee.”
“O, oké.”
We wandelden zwijgend verder, tussen de weilanden met de paarden door, richting het bos. Er was iets onherroepelijk veranderd. Mijn vader wist ook niet alles.

Het hotel

Weten jullie nog? Ik zou gaan schrijven. We spraken een eerste thema af (‘vakantie’) en een richtlijn voor het aantal woorden (700).
Inmiddels is de eerste bijeenkomst geweest, hebben J. en W. mijn werk becommentarieerd en heb ik mijn tekst nog wat herschreven. Ik vind hem klaar voor publicatie, hoewel ik natuurlijk nog honderdduizend verbeterpunten kan bedenken. Ik wil echter geen lafbek zijn, dus hier komt ‘ie:

Het hotel

Het zou niet al te ver rijden zijn van Helsingør naar de laatste tussenstop in Noord-Duitsland. Maar direct na de Deens-Duitse grens belandden we in de moeder aller files en stonden we tergend lang stil. Mensen lieten hun honden en kinderen uit langs de snelweg, oma’s werden geholpen bij het plassen in de berm. Zo’n file was het.

Moe en chagrijnig kwamen we uiteindelijk tegen de avond aan bij een hotel in een dorpje waarvan de naam het onthouden niet waard was. Het had een mooi meertje, dat wel.

Eenmaal binnen dook er van achter de balie een stevige vrouw op, zo’n vrouw die in Beieren prima tien literpullen op haar boezem door een Oktoberfesthalle kan sjouwen, zeg maar. Maar er was nog iets, iets wat ik niet meteen thuis kon brengen, iets waar ik een tweede keer voor moest kijken, maar dan wel op zo’n manier dat het niet meteen opvalt. En toen ik dat deed, was het onmiskenbaar en onontkoombaar: deze vrouw had een baard. Geen volle hipsterbaard, maar toch zeker meer dan een paar kinhaartjes. Het was afstotelijk en fascinerend tegelijk. Ik stamelde me door de aanmelding heen, ondertussen steeds proberend niet te kijken, maar wel te verifiëren of ik het goed gezien had. Dat had ik.

Ze nam er nogal de tijd voor en moest ook nog eens uitleggen waarom ik eerst m’n ziel in viervoud aan de duivel moest verkopen voordat ik gebruik kon maken van de Wi-Fi.
“Und das ist nur für einem gerät, wenn sie sonst mehr möchten dan moet u vijf euro bijbetalen en nog zevenendertig formulieren invullen. Tja, soms zijn er families die met hun kinderen komen en die jongelui moeten dan allemaal zo nodig met hun telefoon en op het internet kunnen, maar dat is natuurlijk belachelijk duur und völlig Wahnsinn.”
Ik knikte en glimlachte en dacht aan de twee telefoons en de iPad die we bij ons hadden.
“Ja, nee, die Jugendlichen heutzutage ook hè.”
Ik had me erbij neergelegd dat het een hotel was uit een slecht geschreven boek. En toevallig was ik dat verhaal in gereden.

’s Avonds bleken de bedden slecht, had ik het bloedheet en viel ik maar niet in slaap. De momenten waarop dat wel kort lukte, droomde ik zeer verontrustend dat ik zelf een baard had. Het was denk ik net na middernacht toen ik wakker werd van een vreemde muziek die van over het meer leek te komen. Het klonk mooi, maar ook wel wat onheilspellend. Het had een hoog Mike Oldfield-gehalte, maar zonder de Bassie en Adriaan-vibe. En omdat ik toch niet echt lekker lag, besloot ik naar buiten te gaan.

Het hotel werd slechts door een weggetje van het meer gescheiden. Dus toen ik de voordeur uitliep, zag ik meteen de feestlichtjes tussen de bomen die het meer omringden. Ik liep een stukje langs het meer en zag iets verderop de vrouw met de baard dansen met het overige hotelpersoneel. De meisjes uit de bediening, de kok uit het restaurant, ik herkende ze allemaal van een paar uur geleden. Tussen het personeel zweefden ook boselfjes, die ik dus voor lichtjes had aangezien. Ook waren er kobolden die, aangevoerd door een gnoom, de bosgrond aan het omploegen waren. Het zag er sinister uit, de kobolden groeven met een verbetenheid die weinig goeds kon betekenen. Waar ze naar groeven (of wat ze begroeven?) werd me niet duidelijk, maar dat ik hier niet op m’n plaats was, had ik al vrij snel door. Ik leek de controle over m’n brein kwijt te zijn en dat terwijl ik net twee weken vakantie had gehad. Ik moest hier weg.

De volgende ochtend werd ik alweer vroeg wakker, we gingen naar huis. Net iets te moe van m’n slechte nacht op het doorgezakte bed in de te warme kamer met m’n verwarrende droom, strompelde ik naar de douche en lapte ik mezelf ver genoeg op om naar huis te rijden.

Bij de balie bleek de vrouw verdwenen. Haar plaats was ingenomen door een kabouterachtig klein, gebocheld mannetje, met kromme vingers en rouwrandjes onder z’n nagels. Alsof ‘ie die in de aarde had lopen wroeten. Het was de droomgnoom. Ik was nog nooit zo blij dat er een einde aan de vakantie kwam.

Schrijven

Als je mij vraagt wat ik goed kan, dan moet ik eerst heel lang nadenken. Vervolgens antwoord ik ‘niks’, daarna verbeter ik dat in ‘mwah, ik kan eigenlijk alles een beetje’ om ten slotte te mompelen ‘schrijven’. Maar op dat laatste punt kom ik alleen op een echt goede dag of als ik dronken ben. Onder andere omstandigheden durf ik dat eigenlijk niet toe te geven.

En dat is onzin, want ik kan wel schrijven. En ik doe het ook graag, maar ik doe het nooit. Of in ieder geval veel te weinig.

Dit hier is echter het begin van iets nieuws. Misschien wel het begin van mijn schrijfcarrière, maar laten we niet op de zaken vooruitlopen. Eerst ga ik maandelijks iets schrijven en uitwisselen met mijn collega’s J. en W. En om ervoor te zorgen dat het niet bij een idee blijft (daar ben ik trouwens ook heel goed in, in ideeën bedenken en niet uitvoeren), leg ik het hier vast. Nu moet ik en dat vind ik fijn.